Het verhaal gaat dat de oude Griekse filosoof Herakleitos eens bezocht werd door zijn leerlingen. Deze schrokken van de armzalige plaggenhut waarin zij hun leermeester aantroffen. Het was er donker en de lucht was er bedompt. Het stonk er naar mest vanwege de met mest bedekte wanden. Er was een zwak schijnsel van houtskool dat nog nagloeide vanaf de vuurkuil. Rook steeg door het midden op omhoog. Erachter ging, nog vaag zichtbaar, de donkere gestalte van een mens schuil. En deze sprak: “Ook hier zijn de goden!”
Ik moest ongewild aan dit verhaal denken nu de zomervakantie aanbreekt en velen van ons op vakantie gaan. De één nog verder weg dan de ander. Voor de thuisblijvers kan dit als een vorm van sociale druk aanvoelen. Moeten zij ook niet weg? Naar al die leuke, verre oorden? Ik zou tegen hen willen zeggen: ontspan je, kijk om je heen, je eigen nest, je vertrouwde, ja, al te vertrouwde omgeving, misschien lijkt het wel op een plaggenhut, maar weet wel: ook hier zijn de goden…!
Nu stuitte ik laatst op een fenomeen dat als een merkwaardige variant van goddelijke presentie in het eigen huis gezien kan worden. Dat gebeurde tijdens een bezoek aan mijn tante in Diepenveen, een dorpje dat grenst aan de stad Deventer. Zij is alweer een kleine tien jaar weduwe van mijn oom G. Deze oom was de jongste broer van mijn vader. Hij was bovendien net als mijn vader dominee tijdens zijn werkzame leven. Hij is helaas te vroeg overleden. Maar zijn studeerkamer is nog min of meer intact. Een statige kamer, voor in het huis, met een hoog plafond. De twee blinde muren zijn geheel bedekt met voornamelijk theologische boeken. Een zwaar bureau kijkt uit naar buiten. Aan de wand links van het bureau hangt een grote foto van een stuk binnenruimte van een kerk. Duidelijk zichtbaar zijn wat houten kerkbanken, de stenen vloer, een dikke pilaar en een bronzen kroonluchter. Door de gotische ramen valt het zonlicht naar binnen. Grote stroken van helder wit licht. Tijdens het ontbijt in de keuken zei ik tegen mijn tante: “Wat is dat toch een mooie foto in de studeerkamer!” Waarop zij vertelde dat het een foto van de Nieuwe Kerk in Amsterdam was. Een afscheidscadeau van toen mijn oom met emeritaat ging. En ze zei daarbij: “Het is heel vreemd, maar er is een tijd in het jaar, zo rond mei, dat soms het zonlicht zo de studeerkamer binnenvalt dat je je in die kerkruimte waant. Alsof die foto je meeneemt en je ruimtelijk omsluit…”.
Ik moest denken aan Stonehenge. Dat prehistorische heiligdom met die bijzondere lichtinval op de langste dag van het jaar. Maar ik moest ook denken aan oude meesters die kerkinterieurs schilderden. Ik dacht vaak: Waarom zou je dat doen? Het is zo indirect. Je kunt toch zelf die kerkruimte binnenstappen en er de magie van het licht ondergaan? Maar zoals wel vaker, en misschien wel altijd, helpt de kunst, hier de schilderkunst, om beter waar te nemen, om scherper te zien. Mijn tante had het in dit verband over de nog levende kunstenaar Henk Helmantel en zijn bijna fotografische schilderijen van kerkelijke binnenruimtes.
Zelf moest ik vooral denken aan een 19e-eeuwse kunstschilder van de Haagse School: Johannes Bosboom (1817-1891). Zijn stijl is vrijer en meer suggestief. Mijn persoonlijke favoriet is een wat vergeten tekening, nummer 61, uit een tekenalbum van 73 tekeningen van zijn hand. Met een paar schetslijnen doemt in zinderend wit een onmetelijk grote kerkruimte op. Een machtig orgel met veel donkere schaduwaccenten vaart van opzij de kerk binnen. Drie, vier zwarte mensfiguurtjes dwalen rond. En vanuit de hoge hemel daalt, veelbetekenend, aan een lang en dun zwart koord een kroonluchter neer. Het is alsof de ruimte beweegt en langzaam verder uitdijt. En alsof je als toeschouwer meereist, precies op die uitdijende grens. De ruimte slokt je niet op, maar plaatst je op een afstand die alleen maar lijkt toe te nemen.
Een andere persoonlijke favoriet is het schilderij dat de omschrijvende titel draagt: Synagoge in de Wagenstraat te Den Haag. We zien een heel donkere binnenruimte van een synagoge. We zien de vage contouren van de bima, de verhoging in het midden, van waaruit de thora wordt voorgedragen. Ook hier de vrij hangende kroonluchter van omhoog. Er is slechts wat zwak schijnsel. Licht dat afkomstig is van de witte gebedskleding van de rabbijn of de chazzan. En daarbovenuit een onverklaarbare lichtende gloed die misschien een verwijzing is naar het brandende braambos, de struik die in brand leek te staan, maar niet verteerd werd. Hier wordt intensief gebeden door een collectief van menselijke gestaltes. In tegenstelling tot het voorgaande werk lijkt de ruimte hier te krimpen. Het wordt alsmaar kleiner en donkerder. En als toeschouwer word je min of meer meegesleurd in dit donkere hol. En het is dan alsof je die plaggenhut van Herakleitos binnengaat en je hem vanuit de duisternis hoort spreken. Ja, die ene gevleugelde zin.
Goede vakantie en reis voorzichtig!